Nieuwsbericht:

Startpunten 2026 voor elke belastingbetaler

Startpunten voor elke belastingbetaler

 

Minder inflatiecorrectie in de inkomstenbelasting

Dit jaar wordt de hogere inflatie slechts beperkt gecompenseerd in de belastingschijven en heffingskortingen. Dit betekent dat u eerder in een hogere belastingschijf kunt komen en dat de heffingskortingen minder zijn verhoogd.

Het tarief van de eerste schijf van de inkomstenbelasting (tot belastbaar inkomen van € 38.883) is vastgesteld op 35,75% (in 2025: 35,82%) en de tweede schijf op 37,56% (in 2025: 37,48%). Het toptarief blijft 49,50%. Laatstgenoemd tarief geldt voor belastbaar inkomen in box 1 vanaf € 78.426 (in 2025: € 76.817).

Gevolgen voor aftrekposten

Bedraagt uw inkomen over 2026 meer dan € 38.883? Dan kunt u de aftrekposten, waaronder de hypotheekrente, tegen een tarief van 37,56% in mindering brengen op uw box-1-inkomen. Maar bedraagt dat inkomen € 38.883 of minder? In dat geval kunt u de aftrekposten slechts tegen een tarief van 35,75% in mindering brengen op uw box-1-inkomen.

Let op

Betaalde lijfrentepremies en premies voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen vallen niet onder deze aftrekbeperking. Die mag u aftrekken tegen het hoge IB-tarief van 49,5%, voor zover u inkomen heeft in de hoogste tariefschijf (vanaf € 78.426).

 

Eigenwoningforfait 2026

Het eigenwoningforfait is 0,35% gebleven. Dit percentage is van toepassing op woningen met een WOZ-waarde tot € 1.335.000 (in 2025: € 1.330.000). Het forfait voor woningen met een WOZ-waarde van € 1.335.000 of meer blijft gelijk: 2,35%. U bent dit forfait alleen verschuldigd voor de WOZ-waarde boven € 1.335.000.

 

Meer algemene heffingskorting

 De maximale algemene heffingskorting gaat omhoog van € 3.068 naar € 3.115. Het afbouwbouwpunt van deze maximumkorting begint bij een inkomen vanaf € 29.736 (in 2025: € 28.406). Let op: voor de afbouw is sinds vorig jaar niet alleen het box-1-inkomen relevant, maar tellen hiervoor ook het box-2- en box-3-inkomen mee. Heeft u dus ook inkomen in box 2 en/of 3, dan wordt de algemene heffingskorting sneller afgebouwd.

 

Snellere afbouw Hillen-aftrek

Er was eens een regel waarbij u geen eigenwoningforfait hoeft bij te tellen bij uw inkomen als u geen of slechts een kleine hypotheek heeft. Het doel van deze regel was aflossing en daarmee een gezonde financiële huishoudingen te stimuleren. Maar het bloed van de belastingdienst kruipt waar het niet gaan kan en zo werd al snel dit voordeel afgebouwd: wel stapsgewijs om de pijn van het verraad te verzachten. Nu we gewend zijn aan die pijn worden de stappen wat groter. Eigen huis bezitters zonder hypotheek gaan dus al elk jaar meer betalen, en vanaf 2026 nog meer dan verwacht.

 

Gewijzigde arbeidskorting voor deeltijdwerkers

De maximale arbeidskorting bedraagt € 5.685 (in 2025: € 5.599) bij een inkomen van € 45.592 (in 2025: € 43.071). De arbeidskorting kent een opbouw- en een afbouwtraject en heeft daarom verschillende inkomensgrenzen en daarmee samenhangende bedragen. In 2026 krijgt u tot een inkomen van € 45.592 steeds meer arbeidskorting. Daarboven wordt de arbeidskorting met 6,51% afgebouwd. De koopkrachtmaatregelen en de reguliere indexatie van de arbeidskorting hadden nadelige gevolgen voor deeltijdwerkers die op jaarbasis minder verdienen dan het minimumloon. Daarom zijn de eerste en tweede inkomensgrens verlaagd, zodat zij in 2026 meer arbeidskorting krijgen dan eerst was berekend in het Belastingplan 2026. De eerste inkomensgrens ligt nu bij € 11.965 (was: € 12.739) en de tweede inkomensgrens ligt nu bij € 25.845 (was: 27.519). De maximale arbeidskorting bij de eerste inkomensgrens ligt bij € 996 (in 2025: 980) en bij € 5.300 (in 2025: 5.220) bij de tweede inkomensgrens.

En overigens maakt deze opbouw en afbouw van de arbeidskorting dat het belastingeffect van salariswijzigingen ondoorzichtig is.

 

Box-3-wijzigingen

In elk geval tot en met 2027 wordt de box-3-heffing berekend aan de hand van forfaitaire rendementspercentages voor de drie categorieën ‘bank- en spaartegoeden’, ‘overige bezittingen’ en ‘schulden’. Voor 2026 is het forfaitaire percentage voor de ‘overige bezittingen’ vastgesteld op 6%. Voor de ‘bank- en spaartegoeden’ en de ‘schulden’ zijn de forfaitaire rendementspercentages voorlopig vastgesteld op 1,28% respectievelijk 2,70%. Deze percentages worden pas in 2027 definitief vastgesteld.

U heeft wel de mogelijkheid om box-3-heffing terug te vragen als het werkelijke rendement over uw gehele vermogen aantoonbaar lager is dan het forfaitaire rendement. Dit tegenbewijs levert u tot en met de IB-aangifte 2025 aan bij de Belastingdienst met het digitale Opgaaf werkelijk rendement-formulier (OWR-formulier). Vanaf 2026 kunt u dit tegenbewijs leveren via het aangiftebiljet inkomstenbelasting.

Let op

Tot het werkelijk rendement van uw box-3-vermogen behoort vanaf 2026 ook de werkelijke waarde van het eigen gebruik van een onroerende zaak. U berekent deze waarde op basis van de huurprijs die bij verhuur onder normale omstandigheden bedongen kan worden, waarvoor we zonder betere info moeten aanhouden: 5,06% van de WOZ-waarde. Dikke kans overigens dat ook hierover weer geprocedeerd zal worden.

 

Tarief en heffingvrij vermogen

Het tarief van box 3 is 36% gebleven. Het deel van uw vermogen waarover u geen box-3-heffing hoeft te betalen, het heffingvrije vermogen, bedraagt per 1 januari 2026 € 59.357 per belastingplichtige (fiscale partners: € 118.714).

 

Meer IACK

De inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) bedraagt in 2026 maximaal € 3.032. Als u werkt en een kind heeft in de leeftijd tot 12 jaar, kunt u in aanmerking komen voor de IACK. Dat is het geval als u geen fiscale partner hebt of als u die wel heeft maar uw arbeidsinkomen lager is dan dat van uw partner. De hoogte van de korting hangt af van uw arbeidsinkomen. Dat moet in 2026 minimaal € 6.239 bedragen. De IACK bedraagt 11,45% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer beloopt dan € 6.239. De maximum IACK bereikt u bij een arbeidsinkomen van € 32.720 (in 2025: € 32.224).

Bij co-ouderschap kunt u als ouders allebei voor de IACK in aanmerking komen als het kind ten minste 156 dagen van het kalenderjaar in elk van uw huishoudens verblijft in een doorgaans repeterend ritme. Het is sinds vorig jaar niet meer vereist dat uw kind op uw woonadres staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Het is voldoende dat het kind tot uw huishouden behoort. De maximale IACK wordt vanaf 2027 in 9 stappen afgebouwd.

 

Ouderenkorting(en) iets verhoogd

De ouderenkorting is een heffingskorting voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. De maximale ouderenkorting is verhoogd van € 2.035 naar € 2.067. U krijgt de maximale ouderenkorting bij een verzamelinkomen tot en met € 46.002. Daarboven wordt de korting afgebouwd met 15%, waardoor u bij een verzamelinkomen van € € 59.782 (in 2025: € 58.875) geen ouderenkorting meer krijgt.

Bent u een alleenstaande oudere? Dan heeft u bovendien recht op de alleenstaandeouderenkorting van € 540 (in 2025: € 531).

 

Laat voorlopige aanslag Inkomstenbelasting controleren

Eind vorig jaar zijn de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2026 (IB 2026) opgelegd. De voorlopige aanslagen worden normaliter berekend aan de hand van de parameterwaarden die uiterlijk op 14 november van het voorafgaande jaar bekend moeten zijn bij de Belastingdienst. Vorig jaar is dit niet gelukt in verband met de verkiezingen. De stemming in de Tweede Kamer over het Belastingpakket 2026 vond immers pas eind november plaats. Daarom zijn de meeste voorlopige aanslagen IB 2026 berekend op grond van de parameterwaarden die op Prinsjesdag 2025 bekend waren. De behandeling in de Tweede Kamer van het Belastingpakket 2026 heeft geleid tot wijzigingen in de parameters. De verschillen in de parameters zullen in de definitieve aanslagen worden rechtgetrokken. Extra reden om de aanslag IB 2026 goed te laten controleren.

 

Voorkom belastingrente betalen

De belastingrente voor de inkomstenbelasting is verlaagd van 6,5% naar 5%. U kunt met belastingrente te maken krijgen, als u inkomstenbelasting moet bijbetalen. Dit kunt u voorkomen door een reële inschatting te (laten) maken van de verschuldigde inkomstenbelasting en uw voorlopige aanslag daarop te laten aanpassen. De eindafrekening met de Belastingdienst vindt plaats na afloop van het jaar, wanneer u de aangifte inkomstenbelasting heeft ingediend. Heeft u dan te weinig inkomstenbelasting betaald of juist te veel teruggaaf gehad, dan moet u die belasting alsnog betalen, verhoogd met belastingrente. Verwacht u een wijziging in uw inkomen of in uw privéomstandigheden? Laat dan je voorlopige aanslag of teruggaaf 2026 zo nodig aanpassen.

 

Inkomensverklaring kwalificerende buitenlands belastingplichtige voortaan alleen op verzoek

Woont u in een andere EU-lidstaat of EER-staat (Noorwegen, Liechtenstein of IJsland), Zwitserland of  op een van de BES-eilanden (Bonaire, Sint-Eustatius en Saba) en wordt ten minste 90% van uw wereldinkomen belast in Nederland? In dat geval kunt u in Nederland worden aangemerkt als kwalificerend buitenlands belastingplichtige (KBB-regeling). Het voordeel van de KBB-regeling is dat u op vrijwel dezelfde wijze gebruik kunt maken van de aftrekmogelijkheden in de inkomstenbelasting als een binnenlands belastingplichtige in Nederland. Voorwaarde bij deze regeling was dat u van de belastingautoriteit van uw woonland een inkomensverklaring moest kunnen overleggen. Dat was niet altijd eenvoudig. Vanaf 2026 hoeft u daarom alleen een inkomensverklaring te overleggen op verzoek van de inspecteur van de Belastingdienst. Als de inspecteur daarvan afziet, kunt u dus ook op andere wijze aannemelijk maken dat u aan de voorwaarden van de KBB-regeling voldoet.

 

Meer tijd voor aankoop lijfrente

Komt uw lijfrentepolis tot uitkering? Dan mag u er langer over doen dan voorheen om te beslissen wat u met het vrijgekomen kapitaal gaat doen. Vanaf 2026 telt namelijk alleen nog maar dat de eerste lijfrentetermijn moet zijn uitgekeerd op 31 december van het jaar waarin u de AOW-leeftijd plus vijf jaar bereikt. Tot 31 december 2025 moest u dit beslissen vóór 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin uw lijfrentepolis tot uitkering was gekomen. Ingeval van overlijden was deze termijn 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het overlijden.

 

Tip

Bent u te laat, dan wordt uw vrijgekomen lijfrentekapitaal als zijnde afkoop in zijn geheel in de belastingheffing betrokken. Zorg er daarom voor dat u de einddata van lijfrentecontracten goed vastlegt, zodat u precies weet wanneer u uiterlijk actie moet ondernemen.

 

Nog één keer vrijstelling groenbeleggen

Groenbeleggers kunnen in 2026 waarschijnlijk voor het laatst gebruikmaken van de vrijstelling in box 3 en de extra heffingskorting van 0,1% van het vrijgestelde bedrag in box 3. In 2026 bedraagt de vrijstelling € 26.715 per belastingplichtige (fiscale partners: € 53.430). De vrijstelling groene beleggingen wordt op 1 januari 2027 verlaagd tot € 200 per belastingplichtige (fiscale partners € 400) en op 1 januari 2028 afgeschaft. Wellicht dat een nieuw kabinet hier nog verandering in zal brengen.

 

Invorderingsrente verhoogd

De invorderingsrente is verhoogd van 4% naar 4,3%. U betaalt invorderingsrente als u na de uiterste betaaldatum van de belastingaanslag nog een bedrag moet betalen. Dit geldt ook als u uitstel van betaling heeft gekregen en u de belastingaanslag in termijnen mag betalen. U betaalt de invorderingsrente over elke termijn dat u betaalt na de uiterste datum. Zorg dus bij voorkeur dat u de aanslag(termijnen) tijdig betaalt.

Als het geld ontbreekt voor belastingbetalingen dien dan toch de betreffende aangifte in. Want 4,3% is nog slatijd minder dan de 5% belastingrente die loopt zolang u nog geen aangifte hebt gedaan.

 

Gewijzigde schenkingsvrijstellingen

Heeft u vorig jaar maximaal € 6.713 aan uw kind geschonken? Dan hoeft uw kind geen aangiftebiljet voor de schenkbelasting in te dienen. Als u meer heeft geschonken, moet uw kind over het meerdere schenkbelasting betalen. In dat geval moet hij of zij uiterlijk vóór 1 maart 2026 een aangiftebiljet voor de schenkbelasting hebben ingediend. In 2026 bedraagt het maximale bedrag, waarvoor bij een schenking van ouder aan kind geen schenkingsaangifte hoeft te worden gedaan € 6.908 per kind.

Naast de jaarlijkse schenking kunt u uw kinderen (of hun partners) als zij ouder zijn dan 18 en jonger dan 40 jaar, ook eenmalig een hoger bedrag vrijgesteld schenken. In 2025 bedroeg deze vrij besteedbare schenking € 32.195. Deze vrijstelling is in 2026 verhoogd naar € 33.129. Daarnaast kunt u aan deze kinderen – in plaats van de eenmalig verhoogde schenking – ook een extra verhoogde vrijgestelde schenking doen. In 2025 bedroeg deze vrijstelling € 67.064. De vrijstelling is dit jaar verhoogd naar € 69.009. Deze schenking is niet vrij besteedbaar, maar moet worden gebruikt voor een dure studie. Bovendien heeft u hiervoor een notariële schenkingsakte nodig. Heeft u uw kinderen in 2025 een van deze schenkingen gedaan? Dan moeten zij vóór 1 maart 2026 schenkingsaangifte doen, waarin zij de vrijstelling claimen.

 

Aanpak breukdelengemeenschap

Bent u getrouwd in gemeenschap van goederen? Dan bent u en uw partner ieder gerechtigd tot de helft van de gemeenschap (50%). Bij een geregistreerd partnerschap is dit ook zo. Soms is het wenselijk om de breukdelen aan te passen naar een andere verdeling dan 50% – 50%. Als dit gebeurt in het zicht van overlijden, levert dit vaak een besparing van erfbelasting op. Door de aanpassing van de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap daalt immers de verwachte nalatenschap van de echtgenoot die vermoedelijk het eerst overlijdt. Volgens vaste rechtspraak is er bij aanpassing van de breukdelen geen sprake van een vermogensverschuiving, en dus een schenking, aangezien het nog onzeker is of de verschuiving zich echt zal voordoen. De Hoge Raad heeft wel bepaald dat dit anders is als de wijziging plaatsvindt als zo goed als zeker is dat een van beide echtgenoten komt te overlijden. Maar de Raad heeft ook beslist dat bij het aanpassen van de breukdelen alleen in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn van belastbaarheid. Hierdoor werd het in de praktijk vrijwel onmogelijk voor de Belastingdienst om dergelijke erfbelasting besparende constructies te bestrijden.

 

Wijziging per 1 januari 2026

Daarom is vanaf 2026 schenk- of erfbelasting verschuldigd bij ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap met ongelijke breukdelen (of op grond van een verrekenbeding). Dit geldt zowel voor een gemeenschap van goederen tussen echtgenoten als voor een gemeenschap van goederen tussen geregistreerde partners. Met ongelijke breukdelen wordt in dit verband bedoeld een ander breukdeel dan beiden de helft (50%). De maatregel is niet van toepassing op verkrijgingen op grond van huwelijkse voorwaarden die zijn aangegaan vóór 18 april 2025 en evenmin op verkrijgingen op grond van een notarieel samenlevingscontract vóór 18 april 2025.

 

Overige wijzigingen in de schenk- en erfbelasting

 Naast de aanpak van de zogenoemde ‘breukdelengemeenschap’ worden er nog enkele andere wijzigingen in de schenk- en erfbelasting doorgevoerd. Zo wordt de aangiftetermijn voor de erfbelasting verlengd van 8 naar 20 maanden. De termijn voor de berekening van de belastingrente begint ook pas na 20 maanden te lopen.

 

Geen 180-dagenregel meer

De schenking binnen 180 dagen vóór overlijden wordt niet meer als schenking aangemerkt. Hierdoor vervalt de verplichting om aangifte schenkbelasting te doen. Tot 2026 was deze schenking bij fictie ook belast met erfbelasting, waardoor u zowel aangifte schenkbelasting als aangifte erfbelasting moest doen. De schenkbelasting werd vervolgens verrekend met de erfbelasting. Vanaf 2026 bent u alleen nog erfbelasting verschuldigd over de schenking binnen 180 dagen vóór overlijden.

 

Start leegstandsheffing

Sinds 1 januari jl. kunnen gemeenten een leegstandsheffing opleggen aan vastgoedeigenaren die woningen langer dan een jaar leeg laten staan. Zij kunnen deze heffing inzetten als prikkel voor woningeigenaren om leegstaande woningen te gaan verhuren of verkopen, zodat het woningaanbod toeneemt. Gemeenten mogen zelf bepalen hoe hoog de heffing moet zijn. Dat kan een vast bedrag zijn of een oplopende heffing, bijvoorbeeld gebaseerd op de WOZ-waarde. Voorlopig geldt de leegstandsheffing alleen voor woningen. Dit kan later uitgebreid worden naar andere onroerende zaken.

 

Check uw recht op zorgtoeslag

Bent u 18 jaar of ouder en heeft u een Nederlandse zorgverzekering? Dan heeft u mogelijk recht op de zorgtoeslag. In 2026 bedraagt deze toeslag maximaal € 129 per maand als u alleenstaand bent of € 246 per maand als u een toeslagpartner heeft. De bedragen zijn iets lager dan vorig jaar. Naast de genoemde voorwaarden moet u ook voldoen aan een inkomenseis en een vermogenseis. Heeft u geen toeslagpartner? Dan mag uw inkomen niet hoger zijn dan € 40.857 (in 2025: € 39.719). Heeft u wel een toeslagpartner, dan ligt de inkomensgrens bij € 51.142 (in 2025: € 50.206) voor u samen. Daarnaast mag u op 1 januari 2026 ook niet te veel vermogen hebben. De vermogensgrens voor de zorgtoeslag per 1 januari 2026 is verhoogd tot € 146.011 (in 2024: € 141.896) voor een alleenstaande en tot € 184.633 (in 2024: € 179.429) als u een toeslagpartner heeft.

Tip

U kunt ook in aanmerking komen voor de zorgtoeslag als u met een inkomensdaling te maken heeft gehad, bijvoorbeeld doordat u minder bent gaan werken of door een echtscheiding. Check of u zorgtoeslag kunt krijgen, maak een proefberekening en verminder de premielast van uw zorgverzekering. 

 

Meer kinderopvangtoeslag voor middeninkomens

 De maximum uurprijzen voor de kinderopvangtoeslag bedragen in 2026 € 11,23 (in 2025: € 10,71) voor dagopvang, € 9,98 (in 2025: € 9,52) voor buitenschoolse opvang en € 8,49 (in 2025: € 8,10) voor gastouderopvang. Per kind kunt u voor maximaal 230 uur per maand kinderopvangtoeslag krijgen. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van het toetsingsinkomen. De toetsingsinkomens worden in 2026 ook verhoogd, zodat met name de middeninkomens weer meer kinderopvangtoeslag krijgen. In 2026 hebben werkende ouders tot en met een toetsingsinkomen van € 56.412 (in 2025: € 47.403) recht op het maximale vergoedingspercentage van 96% voor de opvangkosten voor het eerste kind. Daarnaast wordt het minimale vergoedingspercentage verhoogd van 33,3% tot 36,5% voor werkende ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 165.658 (in 2025: € 159.225). Ook wordt het verschil tussen de vergoedingspercentages voor het eerste en het tweede en volgende kind weer kleiner. 

 

Hoger kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is in 2026 verhoogd. In tegenstelling tot de kinderbijslag is het kindgebonden budget inkomensafhankelijk. Naast het inkomen van u en uw eventuele partner is hiervoor ook van belang het aantal kinderen en de leeftijd die zij hebben. Heeft u een partner? Dan krijgt u tot een gezamenlijk inkomen van € 39.141 het maximale bedrag. Dat is € 2.573 per kind. Is uw kind tussen 12 en 15 jaar oud, dan krijgt u voor dit kind daarnaast maximaal € 722 extra. Is uw kind 16 of 17 jaar oud? Dan bedraagt de extra verhoging voor dat kind maximaal € 961. Bij een hoger inkomen dan genoemde inkomensgrens wordt het kindgebonden budget afgebouwd: per € 100 meer inkomen wordt het kindgebonden budget € 7,60 lager. Daarnaast mag ook het gezamenlijke vermogen niet te hoog zijn: maximaal € 184.633 voor u en uw partner samen.

 

Extra aanvulling alleenstaande ouder

Bent u een alleenstaande ouder? Dan geldt een inkomensgrens van € 29.736 en een vermogensgrens van € 146.011. Heeft u een kind tussen 12 en 17 jaar oud? Dan heeft u recht op een aanvullende vergoeding van maximaal € 3.407. Deze aanvulling neemt af naarmate u meer inkomen heeft.

 

Huurtoeslag voor meer mensen

Eind 2024 is er al een werstvoorstel aangenomen om de huurtoeslag te vereenvoudigen. Daarvan zijn de maatregelen op 1 januari 2026 in werking getreden. Zo telt alleen de kale huur voor de berekening van de huurtoeslag, dus zonder servicekosten. Denk aan schoonmaak- en energiekosten voor gemeenschappelijke ruimten, kosten voor een huismeester en kosten voor dienst- en recreatieruimten. Daarnaast is er geen maximale huurgrens meer als voorwaarde om in aanmerking te komen voor huurtoeslag. Ook huurders die voorheen qua inkomen recht hadden op huurtoeslag, maar dit niet kregen vanwege een huur boven de huurgrens, komen daardoor nu ook in aanmerking voor huurtoeslag. Let op: voor de berekening van de hoogte van de huurtoeslag is de maximale huurgrens nog wel van belang. Is uw huur hoger dan de maximale huurgrens, dan krijgt u voor het deel boven de huurgrens geen toeslag. De huurgrens bedraagt in 2026 € 932,93 (in 2025: € 900,07). Bent u jonger dan 21 jaar (in 2025: 23 jaar!)? Dan is de huurgrens € 498,20 (in 2025: € 477,20).

 

Inkomens- en vermogensgrens?

Ook uw inkomen en uw vermogen beperken uw huurtoeslag. Er is geen vaste inkomensgrens, maar als uw inkomen stijgt, daalt uw huurtoeslag voortaan geleidelijk en komt niet meer plotseling te vervallen. Er is wel een vaste vermogensgrens. U mag op 1 januari 2026 niet meer vermogen hebben dan € 38.479 (in 2025: € 37.395). Heeft u een toeslagpartner, dan ligt de vermogensgrens bij € 76.958 (in 2025: € 74.790). Ook het vermogen van een medebewoner telt mee en mag niet hoger zijn dan € 38.479. U én de medebewoner moeten allebei minder dan dit bedrag aan vermogen hebben. De vermogensgrens die geldt voor een toeslagpartner geldt dus niet voor een medebewoner. 

Wilt u zeker weten of u recht heeft op huurtoeslag? Maak dan eerst een proefberekening op de website van de Belastingdienst.

Let op

Staat uw echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner niet op uw adres ingeschreven? Dan telt zijn of haar vermogen niet mee voor de huurtoeslag, maar wel voor de andere toeslagen.

 

Minder korting MRB elektrische auto

Tot en met 2024 betaalde u geen motorrijtuigenbelasting (MRB) voor uw elektrische personenauto. Vorig jaar kreeg u een korting van 75% op de MRB. Vanaf 2026 krijgt u aanmerkelijk minder korting, namelijk 30%. U betaalt nu dus 70% MRB in plaats van 25%. De korting voor de elektrische auto blijft 30% tot en met 2028. In 2029 wordt de korting 25%. De tariefkorting werkt ook door in de provinciale opcenten. Personenauto’s met een CO2-uitstoot van 1 tot en met 50 gram per kilometer betalen het volledige MRB-tarief vanaf het eerste volledige tijdvak van 3 maanden in 2026.

 

Misschien ook interessant?

Wat moet je regelen bij veranderingen in je leven?
Belastingtips voor alle belasting betalers
Belastingtips voor elke belastingbetaler – februari 2026
Belastingtips voor Werkgevers en Werknemers
Belastingtips voor werkgevers & werknemers – februari 2026
Belastingtips voor de DGA
Belastingtips voor de DGA – februari 2026
Belastingtips voor de ondernemer
Belastingtips voor ondernemers – februari 2026
Actiepunten voor de ondernemer
Startpunten 2026 voor ondernemers