Nieuwsbericht:

Startpunten 2026 voor werkgevers en werknemers

Startpunten voor de werkgever en werknemer

 

Hogere thuiswerkvergoeding

De gerichte vrijstelling voor de thuiswerkvergoeding is verhoogd. Deze onbelaste vergoeding gaat van € 2,40 per dag omhoog naar € 2,45 per dag. Let op: wanneer uw werknemer op een dag zowel thuis als op een vaste werkplek werkt, mag u niet én de gerichte vrijstelling voor reiskosten woon-werkverkeer (maximaal € 0,23) én die voor thuiswerkkosten toepassen.

 

Meer bijtellen voor elektrisch rijden

De bijtelling voor het rijden in een nieuwe elektrische auto van de zaak is verhoogd van 17% naar 18% over de eerste € 30.000 catalogusprijs van de auto en 22% over het meerdere. Volgend jaar gaat de bijtelling naar 20% en in 2028 naar 22% voor alle nieuwe elektrische auto’s van de zaak. Er wordt dan geen onderscheid meer gemaakt tussen elektrische auto’s en auto’s op fossiele brandstof. Eerst zou het lagere bijtellingspercentage over de eerste € 30.000 catalogusprijs al per 1 januari 2026 vervallen. Maar dat is gewijzigd bij de stemming in de Tweede Kamer over het Belastingpakket 2026.

 

Nog een jaar boetevrij rijden in fossiele auto van de zaak

Een van de maatregelen om het elektrisch rijden te stimuleren betreft de auto van de zaak die de werknemer privé voor meer dan 500 km gebruikt. Stelt u als werkgever vanaf 2027 een personenauto op fossiele brandstof (niet volledig emissievrij) ter beschikking aan een werknemer, dan moet u 12% loonbelasting betalen over de catalogusprijs van de ter beschikking gestelde fossiele personenauto. Voor personenauto’s ouder dan 25 jaar wordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. Nieuw is dat in deze regeling onder privégebruik ook het woon-werkverkeer wordt verstaan. U mag deze zogenoemde ‘pseudo-eindheffing’ niet verhalen op de werknemer. Deze maatregel geldt alleen voor niet volledig emissievrije personenauto’s van de zaak en niet voor bestelauto’s. Naast de pseudo-eindheffing die u betaalt, moet u loonbelasting over de bijtelling inhouden op het loon van de werknemer.

Omdat ondernemers in de inkomstenbelasting niet onder de loonheffing vallen, krijgen zij niet te maken met de pseudo-eindheffing wanneer zij in een niet geheel emissievrije auto van de zaak rijden.

 

Overgangstermijn

Voor fossiele personenauto’s die vóór 2027 ter beschikking zijn gesteld, geldt een overgangstermijn tot 17 september 2030. Wilt u dit jaar nog niet over op elektrisch rijden? Dan heeft u nog een klein jaar de tijd om uw fossiele wagenpark te vervangen om optimaal gebruik te maken van de overgangstermijn.

 

Vergoeden werkelijke ETK-kosten of 30%-regeling?

Werknemers die vanuit een ander land naar Nederland komen om te werken, krijgen vaak een vergoeding voor de extra kosten van verblijf buiten hun land van herkomst. Dit zijn de zogenoemde extraterritoriale kosten (ETK-kosten). U kunt de werkelijke ETK-kosten vergoeden op declaratiebasis of op basis van de 30%-regeling. In het eerstgenoemde geval moet u de kosten aannemelijk maken. U moet de kosten en de vergoeding per werknemer bijhouden. Bij toepassing van de 30%-regeling mag u – onder voorwaarden – zonder bewijs maximaal 30% van het loon onbelast vergoeden. U moet jaarlijks in het eerste loontijdvak van het kalenderjaar, waarin u de ETK-kosten vergoedt voor het hele kalenderjaar kiezen voor een van beide regelingen. Een uitzondering geldt voor de eerste vier maanden van het eerste jaar van de tewerkstelling.

Hoe werkt dit?

Stel dat de ingekomen werknemer per 1 maart 2026 bij u komt werken. U doet binnen vier maanden de aanvraag voor de 30%-regeling. U krijgt dan een 30%-beschikking van de Belastingdienst die terugwerkt tot 1 maart 2026. Tot 1 juli 2026 mag u dan per loontijdvak kiezen of u de ETK-kosten op declaratiebasis wilt vergoeden of op basis van de 30%-regeling. Vanaf de vijfde maand (juli) maakt u een keuze voor de rest van het kalenderjaar. Vanaf 2027 kiest u volgens de hoofdregel per kalenderjaar.

 

Hoger maximumbijdrageloon maar lager premiepercentage Zvw

U betaalt over het loon van uw werknemers meestal de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet (Zvw). In bepaalde gevallen betaalt de werknemer zelf een inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, die u dan inhoudt op het nettoloon. Dat geldt bijvoorbeeld voor pseudo-werknemers (opting-in), maar ook voor dga’s (bestuurders van hun bv) die niet verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De heffing of bijdrage wordt berekend over het loon van de werknemer tot een bepaald maximum. Het maximumbijdrageloon is in alle gevallen gelijk en is in 2026 verhoogd naar € 79.409 (in 2025: € 75.864). Het percentage van de werkgeversheffing Zvw is verlaagd van 6,51% in 2025 naar 6,10% in 2026. Het percentage werknemersbijdrage Zvw bedraagt 4,85% in 2026 (in 2025: 5,26%).

 

Inhouding nominale premie Zvw op minimumloon

Op het verbod op inhoudingen op het minimumloon worden enkele uitzonderingen toegestaan, mits u aan de voorwaarden voldoet. Een van die uitzonderingen betreft de zorgverzekeringspremie. U mag met een schriftelijke machtiging van de werknemer de kosten voor de zorgverzekering op het uit te betalen minimumloon inhouden tot maximaal het bedrag van de gemiddelde nominale premie die een verzekerde voor de zorgverzekering betaalt. In 2026 is dat € 2.098,80 per jaar oftewel € 174,90 per maand.

 

Eindheffing bestelauto van de zaak geïndexeerd

Stelt u een (bestel)auto ter beschikking aan uw werknemer, dan moet u rekening houden met een bijtelling voor privégebruik. Deze bijtelling kunt u voor bepaalde bestelauto’s onder voorwaarden afkopen. U betaalt dan een eindheffing per bestelauto per jaar. Deze eindheffing wordt jaarlijks geïndexeerd en bedraagt nu € 451 (in 2025: € 438) ofwel € 37,58 per maand.

U mag deze eindheffing toepassen als de bestelauto vanwege de aard van de werkzaamheden doorlopend afwisselend wordt gebruikt door twee of meer werknemers en het daardoor moeilijk vast te stellen is of, en aan wie de bestelauto voor privégebruik ter beschikking is gesteld.

 

RVU-regeling voortgezet en drempelvrijstelling verhoogd

Bent u van plan om werknemers vervroegd met pensioen te laten gaan met toekenning van een ontslagvergoeding? Dan betaalt u in beginsel een strafheffing boven op de loonbelasting en premies die u moet inhouden en afdragen. U kunt echter onder voorwaarden gebruikmaken van een vrijstelling van deze strafheffing. De vrijstelling is een drempelvrijstelling in de zogenoemde Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU). De RVU zou eind 2025 eindigen, maar dat is teruggedraaid. De regeling wordt toch voortgezet met een verhoogde drempelvrijstelling van maximaal € 2.357 (in 2025: € 2.273) bruto per maand. Om de RVU toegankelijker te maken voor werknemers met een laag inkomen of weinig aanvullend pensioen (in knellende situaties), kunt u als werkgever boven op deze basis RVU-uitkering € 300 bruto per maand extra meegeven. De RVU-drempelvrijstelling wordt dan € 2.657. Cao-partijen moeten daar dan afspraken over maken wie van de RVU gebruik kan maken. De regeling geldt namelijk voortaan alleen voor mensen in fysiek of mentaal belastende beroepen. Over het extra bedrag betaalt u als werkgever geen extra belasting.

Betaalt u meer dan de drempelvrijstelling, dan betaalt u alleen over het hogere bedrag de strafheffing. De hoogte van de basis RVU-uitkering is gekoppeld aan de AOW-uitkering van de werknemer en omvat maximaal een periode van 36 maanden eindigend bij de AOW-leeftijd van de werknemer. Maakt de werknemer korter dan 36 maanden gebruik van de RVU-regeling? Dan mag het basismaandbedrag dus hoger zijn, zolang u maar binnen het totale budget blijft van 36 x het maandbedrag. Tot slot wordt de strafheffing stapsgewijs verhoogd: van 52% naar 57,7% in 2026, 64% in 2027 en 65% in 2028.

 

Let op

Voor werknemers die vóór het moment van invaren van de pensioenregeling (het omzetten van opgebouwde pensioenrechten naar het nieuwe pensioenstelsel) met RVU gaan (en daarmee dus uit dienst zijn) is er wellicht géén pensioencompensatie. Het is belangrijk dat u als werkgever de betreffende werknemer(s) hier actief op wijst.

 

Deadline nadert renseigneringsplicht betalingen aan derden

U bent als werkgever verplicht om gegevens over betalingen aan derden te verstrekken aan de Belastingdienst. Uitgezonderd zijn betalingen aan werknemers, artiesten, beroepssporters, vrijwilligers en personen die een btw-factuur hebben uitgereikt. Gegevens over personen die facturen zonder btw uitreiken of geen facturen uitreiken of facturen met btw verlegd, moet u dus wél aanleveren. U levert de volgende gegevens aan:

  • het BSN, de naam, het adres en de geboortedatum van de ontvanger van de betalingen;
  • de in het kalenderjaar uitbetaalde bedragen; en
  • de data waarop de betalingen zijn gedaan.

Ook kostenvergoedingen moet u vermelden. Deze gegevens en inlichtingen moet u jaarlijks uiterlijk verstrekken op 31 januari na afloop van het kalenderjaar, waarop de informatie betrekking heeft. De gegevens over de uitbetalingen aan derden over 2025 moet u dus uiterlijk 31 januari 2026 hebben aangeleverd. Dat kan digitaal via het gegevensportaal of via Digipoort.

 

Maximum transitievergoeding verhoogd

Het wettelijk maximum voor de transitievergoeding wordt jaarlijks bijgesteld. Het maximum is voor 2026 vastgesteld op € 102.000 (in 2025: € 98.000). Dat wil zeggen bruto € 102.000 of één bruto jaarsalaris als dat hoger is.

 

Loket subsidie arbeidsondersteunende hulpmiddelen open

 Werken er in uw bedrijf ook mensen met een langdurige arbeidsbeperking? Of wilt u iemand met een arbeidsbeperking wel in dienst nemen, maar ontbreken de (financiële) middelen? Maak dan gebruik van de Subsidie Inclusiviteitstechnologie. Deze subsidie is bedoeld voor werkgevers in het mkb die investeren in technologie die mensen met een langdurige arbeidsbeperking ondersteunt tijdens hun werk of bij het vinden van werk. U kunt subsidie krijgen tot 50% van uw investeringskosten met een maximum van € 25.000 per bedrijf. Ook zijn de kosten voor advies en voor de implementatie van de technologie subsidiabel tot een bedrag van € 1.000. Het aanvraagloket voor het tweede tijdvak van deze subsidie is op 5 januari jl. opengegaan. Het loket is open tot en met 29 mei 2026, 17:00 uur. 

 

Verdubbeling beslistermijn WIA-beoordeling

Het UWV slaagt er al enige tijd niet in om binnen de gestelde beslistermijn van acht weken mensen die mogelijk arbeidsongeschikt zijn duidelijkheid te geven. Daarom is sinds 1 januari 2026 de beslistermijn voor WIA-beoordelingen en herbeoordelingen tijdelijk verlengd naar zestien weken. Mensen moeten daardoor dus langer wachten voordat zij weten of zij in aanmerking komen voor een uitkering. De verlenging zal pas vervallen, zodra de achterstanden bij de beoordelingen zijn verminderd en er meer verzekeringsartsen zijn.

De verlenging zal ertoe leiden dat het UWV minder dwangsommen zal hoeven te betalen vanwege overschrijding van de beslistermijn. De verlenging leidt ook tot langere wachttijd voor de betrokkenen en dat is een treurige zaak.

 

Wijziging uitzend-cao leidt tot hogere kosten

Werkgevers die veel gebruikmaken van de diensten van uitzendbureaus krijgen te maken met meer administratieve rompslomp en waarschijnlijk hogere kosten. Per 1 januari 2026 is namelijk de cao voor uitzendkrachten drastisch gewijzigd: de inlenersbeloning is afgeschaft en vervangen door een systeem van gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden. Uitzendkrachten moeten een arbeidsvoorwaardenpakket krijgen dat gelijkwaardig is aan dat van vaste werknemers in dezelfde functie bij de opdrachtgever. De beloning hoeft dus niet exact gelijk te zijn, maar de totale waarde van het arbeidsvoorwaardenpakket moet minimaal gelijkwaardig zijn aan dat van medewerkers in dienst van de opdrachtgever in eenzelfde of vergelijkbare functie. Ook wordt de pensioenopbouw versterkt, waardoor de pensioenpremie stijgt voor u als werkgever. De reserveringssystematiek voor vakantie en verlof is vervallen, waardoor vakantiebijslag en feestdagen de regels van de inlener volgen.

 

Kostenstijgingen

De wijzigingen in de uitzend-cao maken de administratieve verwerking een stuk ingewikkelder voor inleners en uitzendbureaus, vooral bij het waarderen en toetsen van vergoedingen. Met name voor kleine uitzendbureaus is het verplicht moeten volgen van de verschillende cao’s en andere arbeidsvoorwaardelijke regelingen een behoorlijke verzwaring van de regeldruk. Dit werkt prijsverhogend. De kosten voor de inhuur van uitzendkrachten stijgen waarschijnlijk gemiddeld met 5% voor de normale uren. Voor toeslagen kan dit oplopen tot wel 17%, afhankelijk van de sector. Gespecialiseerde salarisverwerkers kunnen hier uitkomst bieden.

 

AOW-leeftijd ongewijzigd

De AOW-leeftijd blijft 67 jaar tot en met 2027. In periode 2028 tot en met 2030 is de AOW-leeftijd vastgesteld op 67 jaar en 3 maanden. In november 2025 is beslist dat de AOW-leeftijd ook in 2031 niet verder zal worden verhoogd. De AOW-leeftijd is gekoppeld aan de levensverwachting en wordt 5 jaar voor de ingangsdatum bekendgemaakt.

Misschien ook interessant?

Wat moet je regelen bij veranderingen in je leven?
Belastingtips voor alle belasting betalers
Belastingtips voor elke belastingbetaler – februari 2026
Belastingtips voor Werkgevers en Werknemers
Belastingtips voor werkgevers & werknemers – februari 2026
Belastingtips voor de DGA
Belastingtips voor de DGA – februari 2026
Belastingtips voor de ondernemer
Belastingtips voor ondernemers – februari 2026
Actiepunten voor de ondernemer
Startpunten 2026 voor ondernemers