Actiepunten voor de ondernemer
Aan het einde van het jaar liggen er vaak nog kansen die u niet wilt laten liggen. In deze blog zetten wij de belangrijkste actiepunten op een rij die u als ondernemer nog in 2025 kunt benutten. Denk aan fiscale voordelen, administratieve aandachtspunten en juridische keuzes die u geld kunnen besparen of risico’s voorkomen
Tijdig bedrijfsmiddelen in gebruik nemen
Het Belastingplan 2023 bood het mkb de mogelijkheid om in 2023 op nieuwe bedrijfsmiddelen extra af te schrijven. Concreet hield dit in dat u op investeringen die u dat jaar deed direct al tot maximaal 50% over de aankoopprijs minus restwaarde mocht afschrijven ten laste van de winst. Over het restant moest u regulier afschrijven. Meer afschrijven in 2023 betekende minder belastbare winst, dus minder belasting betalen, waardoor u een liquiditeitsvoordeel had. Ook als u zelf een bedrijfsmiddel voortbracht, mocht u versneld afschrijven over de voortbrengingskosten die u in 2023 maakte. Bepaalde bedrijfsmiddelen waren uitgesloten van deze regeling, zoals gebouwen, schepen, vliegtuigen en bedrijfsmiddelen die bestemd zijn voor de verhuur aan derden. Ook bedrijfsmiddelen waarop via een andere regeling – zoals de Vamil – al vervroegd werd afgeschreven waren uitgesloten. Aan de mogelijkheid om vervoegd af te schrijven over bedrijfsmiddelen werd wel een belangrijke voorwaarde verbonden: u moet de bedrijfsmiddelen uiterlijk vóór 1 januari 2026 in gebruik hebben genomen. Controleer of dit ook daadwerkelijk is gebeurd en zorg dat u aan deze voorwaarde voldoet.
Spreiden investeringen voor meer KIA
Het is zinvol om voor het optimaal benutten van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) te bekijken of u bepaalde investeringen nog in 2025 moet doen of dat u die beter kunt doorschuiven naar 2026. Het spreiden van investeringen kan u meer KIA opleveren. Investeert u in 2025 tussen € 2.900 en € 70.602, dan krijgt u hierover 28% KIA. U kunt voor een totale investering tussen € 70.602 en € 130.744 een vast bedrag claimen van € 19.769. Dit vaste bedrag neemt geleidelijk af bij investeringen van in totaal tussen € 130.744 en € 392.230. Boven een investeringsbedrag van € 392.230 krijgt u geen KIA meer. Spreiden van de investeringen over twee jaren is dan dus vaak voordeliger.
Toepassing maximum investeringsbedrag EIA gewijzigd
Het maximumbedrag aan energie-investeringen waarop u de energie-investeringsaftrek (EIA) kunt toepassen bedraagt € 151 miljoen. Dit maximum geldt in 2025 zowel voor investeringen in de eigen onderneming als voor investeringen in een samenwerkingsverband. Daardoor is het mogelijk dat de EIA in combinatie van beide situaties over meer dan € 151 miljoen kan worden toegepast. Om dit te voorkomen is een samentelbepaling ingevoerd. Het maximumbedrag aan energie-investeringen waarop de EIA kan worden toegepast bedraagt per belastingplichtige in totaal ten hoogste € 151 miljoen per jaar.
Nog één keer voordelig afschrijven op uw pand in eigen gebruik
Sinds 2024 mag u als ondernemer in de inkomstenbelasting over het bedrijfspand dat u in eigen gebruik heeft, nog maar afschrijven tot de WOZ-waarde. Voorheen mocht u meer afschrijven, namelijk tot op 50% van de WOZ-waarde van het pand. Is de boekwaarde van het pand al lager dan de WOZ-waarde? Dan heeft u geen bijtelling, maar kunt u niet verder afschrijven.
Overgangsregeling
U kunt mogelijk nog wel gebruikmaken van een overgangsregeling. Heeft u het pand in eigen gebruik al vóór 2024 tot uw ondernemingsvermogen of resultaatvermogen gerekend én daarover vóór 2024 nog geen 3 volledige boekjaren afgeschreven? Dan mag u in de resterende jaren van die 3 boekjaren nog volgens de oude regels afschrijven over dat pand. Concreet houdt dit in dat, als u voor het eerst heeft afgeschreven in 2023, u in 2025 nog een laatste keer volgens de oude regels mag afschrijven over het pand in eigen gebruik.
Herinvesteren of nog niet?
Heeft u in het verleden een herinvesteringsreserve gevormd van de winst bij verkoop van een bedrijfsmiddel? Controleer dan of dit jaar het laatste jaar is, waarin u de reserve moet gebruiken. Dat moet immers binnen drie jaar na het jaar waarin u de herinvesteringsreserve heeft gevormd. Is dat het geval, zorg er dan voor dat u dit jaar nog investeert en voorkom dat u de reserve aan de belastbare winst moet toevoegen.
Start btw-herziening bij verbouwingsdiensten
Vanaf 1 januari 2026 wordt de herzieningsregeling voor afgetrokken btw uitgebreid met verbouwingsdiensten. Dit is vorig jaar al beslist bij het Belastingplan 2025. De uitbreiding maakt een einde aan de constructie die vastgoedondernemingen inzetten om btw-aftrek te creëren. Daarbij wordt een pand omgebouwd naar nieuwe woningen die eerst kortdurend belast worden verhuurd, waardoor aftrekrecht ontstaat voor de btw op de verbouwingskosten. In het daaropvolgende kalenderjaar wordt overgestapt op langdurige (vrijgestelde) verhuur van de woningen, zonder dat de afgetrokken btw moet worden herzien. Hiervoor ontbreekt in de huidige btw-wetgeving een herzieningsregeling.
Hoe werkt de uitbreiding?
De uitbreiding gaat gelden voor verbouwingsdiensten aan onroerende zaken die niet tot nieuwbouw leiden. Denk hierbij aan schilderwerk, isolatie of dakrenovatie aan een pand. Daarbij geldt een drempel van € 30.000 (exclusief btw) per dienst. De vastgoedondernemer moet na het jaar van ingebruikname van de dienst 4 jaar bijhouden of de geclaimde btw-aftrek moet worden herzien. Daartoe wordt elk jaar het (vrijgestelde of belaste) gebruik van de dienst in dat jaar vergeleken met het (vrijgestelde of belaste) gebruik in het jaar van ingebruikname. Is in een jaar het gebruik met meer dan 10% gewijzigd ten opzichte van het jaar van ingebruikname, dan moet de aftrek worden herzien.
Actiepunt
Pas uw administratie aan, zodat u vanaf 2026 de verbouwingen en renovaties die onder deze nieuwe herzieningsregeling vallen inzichtelijk heeft.
Desinvesteren of juist niet?
Heeft u bedrijfsmiddelen waarvoor u investeringsaftrek heeft gehad? Voorkom dan een desinvesteringsbijtelling. Daarmee krijgt u te maken als u deze bedrijfsmiddelen verkoopt binnen vijf jaar na het begin van het jaar, waarin u de aftrek heeft geclaimd. Ook als u binnen die termijn een handeling verricht die met verkoop gelijk wordt gesteld – u brengt bijvoorbeeld een bedrijfsmiddel over naar uw privévermogen – krijgt u hiermee te maken.
Actiepunt
Check altijd eerst de investeringsdatum, voordat u tot desinvesteren overgaat. Wellicht moet u dat pas in 2026 doen.
Voorkom dat oude verliezen niet meer verrekenbaar zijn
Als u in het verleden verliezen heeft geleden, kunt u die in de inkomstenbelasting verrekenen met winsten van de voorafgaande 3 jaar of met de winsten van de 9 volgende jaren. Dit betekent dat verliezen uit 2016 na 31 december 2025 niet meer verrekenbaar zijn. Door tijdig actie te ondernemen, kunt u (een deel van) de verliezen misschien toch nog verrekenen. Dat kan bijvoorbeeld door omzet naar voren te halen, stille reserves in bedrijfsmiddelen te realiseren of uitgaven uit te stellen. Uw adviseur kan voor u uitzoeken welke mogelijkheden u nog heeft.
Bereid u voor op btw-verhoging logies (B&B)
Vanaf 1 januari 2026 gaat het btw-tarief op logies en hotelovernachtingen fors omhoog van 9% naar 21%. Kampeerterreinen zijn van deze verhoging uitgezonderd. Vanwege de impact op de sector, is nog geprobeerd om deze verhoging via een motie in de Tweede Kamer van tafel te krijgen, maar het demissionaire kabinet wil de motie niet uitvoeren. Biedt u naast overnachtingen ook andere faciliteiten los aan, zoals ontbijt of toegang tot een zwembad of een attractiepark? Dan geldt daarvoor het 9%-tarief. Hanteert u een all-in prijs voor logies en andere faciliteiten? Dan moet u de vergoeding opsplitsen in deels belast met 21% en deels met 9%. Heeft u een bedrijf in deze sector? Pas dan uw administratie en systemen hierop aan.
De btw-verhoging van 9% naar 21% voor cultuur, media en sport per 1 januari 2026 is wel van de baan.
Let op
Ontvangt u al in 2025 reserveringen en/of betalingen voor overnachtingen in 2026 (of later)? Dan moet u daarop ook het 21%-tarief toepassen.
Vbar of Zelfstandigenwet?
Er liggen twee verschillende wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer die opdrachtgevers en zzp’ers duidelijkheid moeten verschaffen over de kwalificatie van hun arbeidsrelaties: het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) en de Zelfstandigenwet. Eerstgenoemd wetsvoorstel is ingediend door het demissionaire kabinet en heeft als beoogde inwerkingtredingsdatum 1 juli 2026. Het andere is een initiatiefwetsvoorstel dat is ingediend door een aantal leden van de Tweede Kamer. Welke van deze wetsvoorstellen de basis gaat vormen voor de beoordeling van arbeidsrelaties, is op dit moment nog niet te zeggen.
Bereid u voor
Of het nou Vbar of Zelfstandigenwet wordt, het blijft belangrijk dat u als opdrachtgever in kaart brengt wie de zelfstandigen precies zijn die voor u werken, waarvoor zij bij uw bedrijf worden ingezet en onder welke voorwaarden. Vraag een deskundige om te toetsen of deze mensen op grond van de bestaande afspraken een werknemer zouden kunnen zijn. Zo ja, pas uw afspraken aan. Ook kan het verstandig zijn om te heroverwegen om met zelfstandigen te (blijven) werken. Heeft u deze mensen nu eenmaal nodig om het werk gedaan te krijgen? Vorm dan beleid met uitgangspunten voor het inzetten van zelfstandigen. Leg dat beleid ter beoordeling voor aan een deskundige.
Voorkom boetes bij schijnzelfstandigheid
Sinds begin dit jaar handhaaft de Belastingdienst weer op schijnzelfstandigheid. Opdrachtgevers kunnen daardoor te maken krijgen met naheffing van loonheffingen in het geval een zelfstandige wordt aangemerkt als werknemer. Er geldt wel een zogenoemde ‘zachte landing’, waarin de Belastingdienst in beginsel start met een bedrijfsbezoek. De Belastingdienst gaat daarbij eerst in gesprek met de opdrachtgever over de inhuur van zzp’ers. Tijdens dit gesprek wordt de opdrachtgever er zo nodig op gewezen aandacht te hebben voor de kwalificatie van de arbeidsrelaties en mogelijke risico’s van schijnzelfstandigheid. De Belastingdienst kan er dan voor kiezen om nog geen boekenonderzoek te starten, waardoor de opdrachtgever dus als het ware eerst wordt gewaarschuwd. Daarnaast worden aan opdrachtgevers en zelfstandigen nog geen verzuim- of vergrijpboetes opgelegd.
Geen verlenging overgangsperiode?
Hoewel de Tweede Kamer daar wel op aandrong, heeft het demissionaire kabinet toch besloten om de overgangsperiode niet te verlengen naar 2026. Verzuim- en vergrijpboetes worden dan dus weer mogelijk. Bij opzet bedraagt de vergrijpboete normaal gesproken 50% van de opzettelijk niet aangegeven loonheffing. Bij grove schuld is dat 25%.
Nu de samenstelling van de Tweede Kamer na de verkiezingen is gewijzigd, is de kans aanwezig dat deze beslissing nog wordt teruggedraaid. Daarover zal een nieuw kabinet moeten beslissen. Dat nieuwe kabinet zal er echter waarschijnlijk niet voor de jaarwisseling zijn.
Actiepunt
Goedgekeurde lopende modelovereenkomsten worden nog geëerbiedigd tot eind 2029. Dit betekent dat opdrachtgevers nog tot 2030 gevrijwaard zijn van naheffing van loonheffingen als ze daadwerkelijk werken volgens de modelovereenkomst.
Verbod op contante betalingen vanaf € 3.000
Beroeps- of bedrijfsmatige handelaren in goederen mogen vanaf 1 januari 2026 geen transacties in contanten meer verrichten vanaf € 3.000. Ook samengestelde transacties vallen onder het verbod. Betalingen opknippen bijvoorbeeld via verschillende facturen die allemaal onder het grensbedrag blijven, heeft daardoor geen zin. Particulieren die onderling handelen (bijvoorbeeld via Marktplaats) vallen niet onder het verbod. Verder geldt het verbod voorlopig nog niet voor dienstverleners als schoonmaakbedrijven, kappers en reisbureaus. Het is de bedoeling dat voor hen vanaf 10 juli 2027 ook een limiet gaat gelden voor contante betalingen.
Let op
Voor betalingen via de bank van € 10.000 of meer blijft een cliëntenonderzoek verplicht. Ook moeten eventuele ongebruikelijke transacties nog steeds worden gemeld bij FIU-Nederland.
Wijzigingen in de bedrijfsopvolgingsregelingen
De bedrijfsopvolgingsregelingen in de inkomstenbelasting (doorschuifregeling aanmerkelijk belang, DSR ab) en de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) zijn de afgelopen jaren telkens aangepast. Ook in 2026 worden er enkele wijzigingen in deze regelingen doorgevoerd. Zo worden de voorwaarden bij de bezitseis en de voortzettingseis in de BOR versoepeld. De bezitseis houdt in dat de erflater voorafgaand aan de overdracht minimaal 1 jaar (de schenker 5 jaar) in het bezit van de onderneming of de aandelen moet zijn geweest. De voortzettingseis houdt sinds dit jaar in dat de opvolger de onderneming minimaal 3 jaar voortzet of de aandelen minimaal 3 jaar houdt. Heeft de opvolger de onderneming (of de aandelen) vóór 1 januari 2025 verkregen? Dan blijft de oude voortzettingstermijn van 5 jaar van kracht.
De versoepeling van de voorwaarden bij de bezits- en voortzettingseis maakt het mogelijk dat bepaalde herstructureringen tijdens de bezits- en voortzettingsperiode vanaf 1 januari 2026 niet meer leiden tot een nieuwe bezits- en voortzettingsperiode. Denk hierbij aan een verandering van de juridische structuur, de rechtsvorm van de onderneming of een fusie of splitsing. Hiervoor gelden wel twee vereisten:
- het (indirecte) belang van de schenker of erflater mag in de bezitsperiode niet toenemen; en
- het (indirecte) belang van de opvolger mag in de voortzettingsperiode niet afnemen.
Actiepunt
Wilt u een nieuwe bezits- of voortzettingsperiode voorkomen? Dan kan het zinvol zijn om de bedrijfsopvolging uit te stellen tot 2026. Vraag uw adviseur wat in uw situatie wijs is om te doen.
Preferente aandelen
Een andere wijziging per 1 januari 2026 in de bedrijfsopvolgingsregelingen betreft de wettelijke vastlegging van de nieuwe definitie van zogenoemde ‘preferente aandelen’. Dit zijn aandelen met voorrang ten aanzien van winstverdeling of liquidatieopbrengsten. Preferente aandelen kwalificeren in beginsel niet voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsregelingen, tenzij deze ooit zijn ontstaan in het kader van een bedrijfsopvolging. Houdt u aandelen in een bv, waarin aandelen zijn uitgegeven met voorrang bij de winstverdeling? Vraag uw adviseur dan te beoordelen welke fiscale gevolgen de nieuwe definitie van preferente aandelen vanaf 1 januari 2026 voor u heeft.
Tegengaan constructies
Twee constructies waarbij ongewenst gebruik wordt gemaakt van de BOR, worden vanaf 1 januari 2026 bestreden. Ten eerste zijn dat de zogenoemde ‘rollatorinvesteringen’. Bij deze constructie vormen vermogenden vaak op hogere leeftijd beleggingsvermogen dat niet kwalificeert voor de BOR, om in ondernemingsvermogen dat wél kwalificeert voor de BOR. Deze constructie wordt bestreden door voor AOW-gerechtigden een langere, leeftijdsafhankelijke bezitsperiode in te voeren.
De andere constructie die vanaf 1 januari 2026 wordt bestreden is de zogenoemde ‘dubbel-BOR’. Bij deze constructie kopen ouders na het verstrijken van de voortzettingstermijn van 3 of 5 jaren de aan hun kind met gebruikmaking van de BOR overgedragen onderneming weer terug. Daarna wordt dezelfde onderneming opnieuw met toepassing van de BOR aan het kind geschonken. Deze constructie wordt bestreden doordat de BOR vanaf 1 januari 2026 nog slechts 1 keer per onderneming kan worden toegepast.