Vastrecht heeft ook zijn adres met zorg gekozen.
De Laan Copes van Cattenburch vormt een belangrijke doorgaande route in de Archipelbuurt. Er bevinden zich volgens archipelbuurt.nl meer ambassades dan in enige andere straat (zes). Het ontstaan van dit kleurrijke stukje Den Haag is beschreven op onder meer de website van het gemeentearchief. Er is sprake van een 16e-eeuwse baljuw met dezelfde naam, een hoge ambtenaar, maar de straat werd vernoemd naar de eerste echte burgemeester van de stad, die tot die positie was geroepen wegens zijn expertise op het gebied van financiƫn.
Lodewijk Constantijn Rabo Copes van Cattenburch (* Vught, 3 september 1771 - † 's-Gravenhage, 16 december 1842) was de eerste burgemeester die die functie niet deelde met anderen. Tijdens zijn ambtsperiode van 23 februari 1824 tot 16 december 1842 werden de kiemen gelegd voor de latere groei van de stad. Voordien had hij naam gemaakt als belastingdeskundige; de belastingstelsels uit 1806 en 1811 zijn voor een groot deel zijn initiatief en zijn werk geweest.
Hij was lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. De voorzitter van dit prestigieuze gezelschap Matthijs Siegenbeek herdacht hem in de volgende woorden:
“Ook de laatste maand van het jongst verloopene jaar ging niet voorbij, zonder de Maatschappij twee verliezen te doen ondervinden. Het eerste was dat van den Heer Mr. Lodewijk Constantijn Rabo Copes van Cattenburch, Staatsraad, Ridder van den Nederlandschen Leeuw, Lid van het Provinciaal bestuur van Zuid-Holland, en Burgemeester van 's Gravenhage. Na vroeger, in onderscheidene meest finantiĆ«le betrekkingen, het Vaderland met lof gediend te hebben, werd hij door Koning Willem I, in 1824, met de laatstgenoemde waardigheid bekleed. In deze waardigheid maakte hij zich, door vele nuttige inrigtingen en belangrijke verfraaijingen, omtrent de stad en hare burgerij verdienstelijk, en verwierf zich de algemeene achting en genegenheid zijner medeburgeren, tot bevordering van wier welvaart en genoegen hij, ten einde toe, onafgebroken werkzaam was. Op den 13den December werd hij, op het Raadhuis, door eene beroerte overvallen, welke op den 18den een einde aan zijn nuttig leven maakte, tot groote droefheid, niet slechts van zijne naaste betrekkingen en vrienden, maar ook der gansche burgerij van 's Gravenhage, welke, hoezeer hij reeds den ouderdom van 71 jaren bereikt had, zich van zijn voortdurend bestuur nog altijd veel goeds beloven mogt. Daar hij zich bestendig ook een 'verlicht' voorstander en bevorderaar van kunsten, letteren en wetenschappen betoonde, was deze Maatschappij, in den jare 1827, met regt bedacht, om hem door de opdragt van haar lidmaatschap aan zich te verbinden.”
→ dbnl.org: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1843